Carl Gustav Jung
Archetypen
Archetypen zijn numineuze, naar het Goddelijke verwijzende, mysterieus dwingende krachtenvelden die kennis bevatten van de ervaringen van alle mensen van alle tijden vanuit een collectief bewustzijnveld die onbewuster, instinctiever en niet meta-cognitief is. Ze functioneren als magnetische templates die op elkaar inwerken, completerend of katalyserend. Ze zijn omvormers van van ‘lager’ libido naar ‘hoger’ libido en leggen door je er bewust van te worden ‘schaduw’ bloot wat tot integratie binnen het Zelf kan leiden. Ze zijn voor een ‘psychisch monist’ die het bestaan van materie afwijst, zowel werkzaam in de ‘fysicaliteit’, dus als integrerende psychische processen ‘buiten’ als in de binnenwereld maar van een andere ‘bestaansorde’ of ‘ordeningsprincipe’ dan door het eenzijdig en dominant gehanteerde metafysisch materialistisch model van causaliteit en daarom vanuit het perspectief van de biologisch en zintuiglijk bepaalde gedissocieerde toestand waar we allemaal in zitten, de ‘veroorzaker’ van buitenredelijk, niet redelijk noch onredelijk van betekenisvol toeval of synchroniciteit, echter een betekenis die jij er aan geeft, dus daar is steeds bewustzijn bij nodig. Echter vanuit het perspectief van de ‘executive ego’ heb jij geen archetypen, maar ‘ze hebben jou’ …. Vanuit een zodiacale basis bewustzijnshierachie ontspruiten andere betekenisvolle archetypische oer-inhouden zoals, de moeder, de vader, de held, de oude wijze, de eeuwige jongeling, het goddelijke kind, de koning en de krijger etc.
Wat betekent dit in het context van de vraag: hoe vinden we ‘werk’ opnieuw uit? Mens- en organisatie zijn beide ‘levende organismen’ met een binnenkant, een oorspronkelijke archetypische blauw druk die we voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid kunnen kennen en er mee kunnen navigeren. ‘Circling the square’
Libido
In Jungs opvatting wordt het gedrag van de mens in belangrijke mate bepaald door een algemene levensdrang die hij libidonoemde. Hiervoor zag hij, en daarin verschilde hij sterk van inzicht met Freud, niet in de eerste plaats een seksuele oorsprong, maar eerder een spirituele (in de ruimste zin van het woord).
Collectief onbewuste met archetypen
Hij was van mening dat het wezen van de persoonlijkheid behalve door het persoonlijk bewustzijn ook, en grotendeels, gevormd wordt door wat hij het collectief onbewustenoemde, een als het ware epigenetisch overgeërfd deel van het onbewuste; een psychisch gebied, dat volgens zijn leer door alle vertegenwoordigers van een ras of soort wordt gedeeld. Hiervan uitgaande ontwikkelde Jung de leer van de archetypen. Deze archetypen, begrippen zoals de schaduw, de eeuwige jongeling, de boze geest, de held enzovoorts, zijn als het ware overgeleverde, functionele oerdrijfveren of ‘ervaringsmodaliteiten’, die de persoonlijkheid van de mens structureren. Archetypen zijn mogelijkheden of neigingen om ons op een bepaalde manier te ontwikkelen. Zij drukken zich uit in beelden die veelvuldig te vinden zijn in onze dromen, maar evenzeer in sprookjes en mythen, en vormen het ervaringsmateriaal van elke religie.
Jung lanceerde ook de opvatting dat archetypen aan de basis liggen van culturele ontwikkeling, op verschillende van elkaar gescheiden plaatsen in de wereld. Bepaalde overeenkomstige denkwijzen en denkbeelden zouden dus niet noodzakelijk alleen met fysische afstamming of volksverhuizing te maken hebben.
Individuatie
Het centrale doel van Jungs psychologie is het proces van de zelfverwezenlijking of individuatie. Naast het ‘ik’ of ‘ego’ onderkent Jung het zelf: een totaliteit om het ‘ik’ heen die zowel het bewuste als het onbewuste deel van de persoonlijkheid omvat. Dit onbewuste deel, het persoonlijk onbewuste dus, staat in contact met de dieperliggende laag van het collectief onbewuste, waarvan het persoonlijk onbewuste in wezen een verbijzondering, dus als het ware een bovenlaag is. Het collectief onbewuste is in principe onbegrensd, en de alleronderste lagen ervan zijn zelfs nooit bewust te maken. De realisatie van het zelf is een proces dat gekenmerkt wordt door de vereniging van tegenstellingen in de mens, zoals goed en kwaad, licht en schaduw, binnen en buiten. Het internaliseren van de tegenovergestelden vanuit het innerlijke anima en animus gebeurt door contact met de zuivere anima, dan wel animus buiten de persoon zelf, in de vorm van een volmaakte Goddelijke, of ware liefde en het ervaren van volledige acceptatie en heling. Dit is het proces van eenwording, dat in diverse Oosterse mystieke leren wordt beschreven als Yin Yang.
Bij het heelwordingsproces dat daarop kan volgen gaat het om het overwinnen van de innerlijke schaduw via contact met het kwaad en het ervaren van onrecht. Waarbij de schaduw niet direct geïnternaliseerd dient te worden in het zelf, maar met tussenkomst van de moraal, het Hogere Licht, of God. Daardoor kunnen de schaduwkanten van de innerlijke anima en animus worden gezuiverd en losgelaten, waardoor de ontwikkeling van het Hogere Zelf mogelijk wordt. Deze syzygy vergeleek Jung met de ontwikkeling van de innerlijke Christus vanuit de Christelijke leer en zag als de volmaking van de mens; het Hogere Zelf.
Om de individuatie helemaal te doorlopen dient de mens vier grote spirituele inwijdingen te ondergaan ontdekte Jung uit al zijn studies van religies en spirituele inzichten wereldwijd. De laatste twee zijn de inwijding van het Heilige Huwelijk en het Mystieke Huwelijk, waardoor in contact met zuivere liefde en met het kwaad het proces van eenwording en van heelwording kan ontstaan. Hij baseerde zich hiermee op kennis uit enkele Katholieke onderstromen, zoals de Gnostische leer en het esoterische Christendom, kennis vanuit diverse oergodsdiensten en de kennis van de Alchemisten over individuatie en het maken van ‘goud’. Hiermee onderbouwde hij zijn eigen mystieke ervaringen en die van vele patiënten die hij begeleidde.
Typologie
Jung is wellicht nog het meest bekend geworden door zijn typologie. In zijn boek Psychologische typen uit 1921 werkte hij vier basistypen van de menselijke persoonlijkheid uit. Hij stelde daarbij contrasterende functies tegenover elkaar: denken en voelen, perceptie (waarneming) en intuïtie, waarbij elke functie als het ware de pool is van een cirkel, die het zelfsymboliseert. Een van die polen is bij elk basistype dominant, ze is onze ‘superieure functie’. Een bijkomende, belangrijke factor is of de psyche naar binnen (introvert) of naar buiten (extravert) is gericht.
Ontwikkeling en heelwording
Voor ontwikkeling en heelwording in de zin van het individuatieproces, is het volgens Jung nodig, dat men eerst de superieure functie – die gaat over morele standaarden- ontwikkelt – dit is de belangrijkste psychische taak van onze jeugdjaren. Pas daarna, als de mens zijn bewustzijn in de buitenwereld heeft verankerd, staat het hem vrij om de overige functies te ontwikkelen. Spiritualiteit is daarbij volgens Jung een belangrijke component om te kunnen komen tot de ontwikkeling van deze superieure functie in onszelf, dat in feite een afgeleide is van ons Godsbeeld. Daarbij zijn de zijwaartse polen als het ware de hefbomen, om het tegenoverliggende gebied, dat zich het meest in het onbewuste bevindt te ontwikkelen. Echter is het ons mensen niet gegeven om deze gebieden of functies volledig in het licht van het bewustzijn te doen baden of, in de terminologie van Jung, daarin te differentiëren.Men kan deze verlichte toestand slechts benaderen en daarbij is de rol van spiritualiteit van essentieel belang. Jung begreep dat voor het internaliseren van de aspecten van zowel anima en animus er een zuivering en vernietigingsproces nodig is om zo de schaduwen te overwinnen en tot een hoger bewustzijn te komen. Dit proces kan alleen goed verlopen indien men zich blijvend richt op de zuivere kern, de bron, het Licht of Goddelijke in onszelf, wat in de Christelijke traditie wordt omschreven als de Christusgeest. Hij ziet de figuur Jezus als een voorbeeld van de volmaakte mens die volledig tot ontwikkeling is gekomen en daarmee samenvalt met de innerlijke Christus – de volledige ontwikkeling van het Zelf, ofwel het Hogere Zelf. Op de weg daarheen kan volgens Jung de analyse van dromen ons behulpzaam zijn, maar ook de analyse van onze schaduwfiguren, alsmede van onze onbewuste mannelijke of vrouwelijke tegenpool, de zg. animusbij vrouwen en de animabij mannen. Door zich aldus bewust te worden van zijn eigen onderbewuste processen, kan de mens volgens Jung het heft van zijn leven pas werkelijk in handen nemen; hij hoeft zich dan niet langer te laten leiden door dat wat in het verleden is misgegaan, omdat hiermee integratie met de innerlijke anima of animus en overwinning op de eigen schaduwkanten mogelijk is. Veelal wordt men zich bewust van dit innerlijke proces door ervaringen in de buitenwereld met de zuivere anima/animus en schaduwkanten. Hierdoor ontstaat vaak een innerlijk conflict, waardoor sommige mensen psychische problemen krijgen. Jung zag dan ook dat veel patiënten van hem in feite bezig waren met hun individuatieproces en vond dat de psychiatrie zich moest richten op het begeleiden van mensen bij deze psychische en tevens spirituele processen tot zelfwording. Deze ontwikkeling kan logischerwijs pas plaatshebben wanneer men deze ervaringen heeft opgedaan. Volgens Jung was dat zo rond het 45-ste levensjaar.
Nieuwe inzichten
Jungs systeem is zo ingewikkeld, dat jaren van studie nodig zijn om de door hem ontwikkelde analytische psychologie te kunnen toepassen. Hij baseerde zijn leringen op zowel ervaringen in zijn klinische praktijk, als op de mythologie, de godsdienstpsychologie en zijn kennis van het vergelijkend symbolisme. Om inhouden van het collectief onbewuste op het spoor te komen, verdiepte hij zich onder andere jarenlang in de visionaire, maar duistere geschriften van de alchemisten, zoals Paracelsus, Dorneus, Zosimos en Maier, die hij grotendeels ontraadselde en wier beelden hij soms kon terugvinden in de visioenen van zijn patiënten. Daarnaast bestudeerde hij vele richtingen van de Oosterse wijsheden, zoals de Tarot, diverse onderstromen van het Katholicisme, zoals de Gnostiek en het esoterische Christendom. Dankzij zijn vele reizen en sociale studies naar oergodsdiensten en ook de astrologie kon hij eveneens putten uit kennis vanuit die richtingen. Hij ontdekte dat er wereldwijd veel overeenkomsten waren tussen de verschillende godsdiensten en wijsgerige richtingen die volgens hem allemaal in de kern gaan over zelfverwezenlijking.
Carl Jung nam Freuds notie van het onbewuste over maar gaf daar een heel eigen invulling aan. Zo maakt hij onderscheid tussen een persoonlijk en een collectief onbewuste, en presenteerde de archetypen (anima, animus bijvoorbeeld) als overgeërfde, onbewuste ideeën en beelden. Ook de termen introvert en extrovert zoals gehanteerd in zijn persoonlijkheidsleer en synchroniciteit zijn nu bekende begrippen uit zijn psychologie.
Tijdens zijn onderzoek naar de universele betekenis van archetypen uit het collectief onbewuste leerde Jung zichzelf aan om symbolische systemen als de I Tjing en de tarot te doorgronden. Ook de astrologie bood verdere mogelijkheden tot wat hij amplificatie noemde: een associatietechniek die Jung aanwendde bij het duiden van droombeelden van patiënten.
bron: wikipedia
